Jean-Rustin-1Vandaag op internet gezocht naar de kunstenaar Jean Rustin.  Tijdens de tentoonstelling van KunstPunt Oisterwijk in mei 2013 attendeerde iemand me op zijn bestaan. Ik heb er sindsdien niet meer aan gedacht. Maar het kladje waarop zijn naam geschreven was viel gisteren uit een tas, die ik blijkbaar toen in de buurt had. Deze link brengt je, via een omweg, naar zijn (?) site.

Hij heet het Franse antwoord te zijn op Francis Bacon en Lucian Freud. Intrigerend werk wel. Voor mij persoonlijk is het te kaal, te weinig hoopvol. Maar goed om te hebben gezien.

Hieronder een leesfragment dat ik vond op athenaeum.nl n.a.v. een tentoonstelling van zijn werk in Het Dolhuys in 2009. De schrijfster is Judith de Bruijn, kunsthistorica en freelance curator op het gebied van moderne en hedendaagse kunst.

Leesfragment: Het naakte bestaan. De kunst van Jean Rustin in Het Dolhuys

door Jean Rustin

De Franse kunstenaar Jean Rustin (1928) is een grote naam in Frankrijk en België, en werd daarbuiten al vergeleken met Lucian Freud en Francis Bacon. In Nederland is de man achter de manshoge schilderijen van naakte, eenzame mensen echter weinig bekend. Toch besloot Museum Het Dolhuys werk van hem te exposeren. Van 8  september tot 13 december 2009 kun je in Haarlem oog in oog komen met zijn beklemmende figuren. We spraken curator Judith de Bruijn.

‘De expositie bestaat volledig uit figuratieve kunst, maar Rustin is als abstract kunstenaar begonnen. Zijn werk van de jaren vijftig en zestig past precies in wat gebruikelijk was bij de École de Paris in die tijd, een lyrisch abstracte stijl. Zijn doeken uit die tijd zijn kleurrijk, bont, expressionistisch, bijna vrolijk, en je herkent er niets in, al sluipen er in de loop van zijn vroege oeuvre al wat herkenbaarder figuren in, zwevend in de ruimte. Na een grote overzichtstentoonstelling in 1971 in het Musée d’Arts Modernes slaat hij echter een ander pad in. De mensen die hij afbeeldt, er staan opeens mensen op zijn schilderijen, staan in een ruimte, er is perspectief, er is diepte, er is een verbinding met de werkelijkheid.

Rustin heeft wel gezegd dat hij na die omslag expressionistischer is gaan werken. Dat klinkt gek, zo bont en veelvormig als zijn vroege werk was en zo realistisch zijn latere werk, maar deze doeken passen, zegt hij, beter bij zijn gevoel. Het is aan ons als toeschouwers te bepalen welk gevoel dat is. Mij beklemmen ze, geven ze een indruk van angst, eenzaamheid, onvermogen tot contact, schaamte – Rustin zelf laat zich daar weinig over uit.

Sterker, het lijkt hem alleen om het schilderen zelf te gaan. Naakten zijn zijn onderwerp, maar zoals Cézanne appels had – een onderwerp om je alsmaar in te verbeteren. Hij werkt dan ook niet naar het leven, zijn figuren ontspringen aan zijn fantasie. Techniek is voor hem belangrijker, hij schildert heel fijn, zorgvuldig, met zachte kleuren, en als hij een dwangbuis schildert, dan doet hij dat, zegt hij, vooral omdat hij behoefte had aan een wit vlak. Als het aan hem ligt, dan stralen die schilderijen vooral rust uit.

Dat lukt hem ook, als je tenminste het beeld niet gaat duiden. Er is altijd een muur, soms een deur, een raam, een stopcontact (zoals op het schilderij hieronder), en één, twee, bij uitzondering meer naakte figuren. Naakt en kaal, en met bijna weggeschilderde monden, staren ze voor zich uit. En er is licht, met prominente schaduwpartijen

Als je wel probeert te begrijpen wat er in Rustins werk gebeurt, dan moet je vaststellen dat dat niet veel is. Ja, de een maakt een afwerend gebaar, een ander bevredigt zichzelf, maar het is een moment, geen verhaal. Pogingen om Rustins thema’s te reconstrueren, en zijn figuren als concentratiekampgevangenen of psychiatrisch patiënten te identificeren, wijst hij zelf af.

Toch is dat laatste natuurlijk wel de reden om Rustin, na het Vlaamse Museum dr. Guislain voor geestesziekenzorg, in Het Dolhuys te exposeren. Deze schilderijen confronteren je met de naaktheid van het bestaan, ook in figuurlijke zin, ze roepen gevoelens en associaties op die bij uitstek passen in een Nationaal Museum voor de Psychiatrie.’

Judith de Bruijn